Voor je begint
Hieronder vind je 4 korte schrijfoefeningen voor beginnende en ervaren (dagboek)schrijvers. Iedereen kan meedoen. Lees voordat je begint eerst de algemene aanwijzingen, de basistechniek van in “sprint” schrijven en het maken van een woordgedicht.
Algemeen
- Dateer je teksten
- Begrens je schrijven: hou je aan het voorgestelde aantal minuten of regels tekst. Hou niet eerder op en schrijf niet langer door.
- Alles wat je nu schrijft is een momentopname en aan verandering onderhevig
- Wees eerlijk
In “sprint” schrijven
- Hou je pen op papier en schrijf sneller dan je gewend bent.
- Als het stokt, herhaal dan het laatste woord een paar keer, tot je weer een nieuwe associatie krijgt. Schrijf dan weer door.
- Maak je geen zorgen over spelling of grammatica.
- Ga niets corrigeren; accepteer alles als een ruwe versie
Woordgedicht
Een woordgedicht zoals hier gebruikt is een vrije vorm van een acrostichon (naamdicht of lettervers). Hierbij vormen de eerste letters van iedere regel achter elkaar gelezen zelf ook een woord of zin. (Wikipedia).
Voor een woordgedicht schrijf je de letters van een woord onder elkaar in de kantlijn. Vul iedere letter aan met een regel van een of meerdere woorden of een zin, die iets over je beginwoord zeggen. Laat de regel beginnen met de letter die in de kantlijn staat. Bijvoorbeeld de naam PISA:
Praten
Informatie
Steun
Aandacht
1. Opstarten
Vul de volgende open zinnen aan. Schrijf het begin over en sprint dan 5 regels per open zin. (doorschrijfoefening)
- vanuit mijn eetkamerraam zie ik ….
- vanuit de woonkamer raam zie ik ….
2. Woonplaats
Schrijf de letters van de naam van je woonplaats onder elkaar in de kantlijn. Vul iedere letter aan met een of meer woorden of een zin, die iets over je woonplaats zeggen.
Lees je woordgedicht en kies 1 regel die er op dit moment voor je uitspringt.
Schrijf over deze regel 3 minuten in “sprint”.
Geef je tekst een titel.
3. Straat
Schrijf over de straat waarin je nu woont. Schrijf 5 minuten in “sprint”. Begin met een beschrijving: wat zie je , hoor je, voel je, ruik je, proef je?
Lees je tekst en onderstreep één woord.
Schrijf een woordgedicht met dat woord.
4. Bijzondere plekken
Maak een lijstje van 10 bijzondere plekken in je woonplaats/ woonomgeving. Waar je met je bezoek van veraf naar toe zou gaan. De plek waar je aan verknocht bent. Waar je een speciale band mee hebt.
Kies 1 item uit je lijst en schrijf hierover 5 minuten in “sprint”. Begin met een beschrijving (wat zie, hoor, ruik, voel je?) Hoe is de sfeer? Wat roept het op voor herinneringen?
Geef je tekst een titel.
Tot slot
Lees alle teksten die je schreef hardop en met aandacht voor aan jezelf.
Deze oefeningen kun je natuurlijk ook doen voor plekken waar je eerder woonde of voor vakantieadressen die je ooit bezocht.